de afgekorte gemeentenaam met het volgnummer van de boot.
kolom 2, inschrijfdatum:
de datum waarop een boot werd ingeschreven of een wijziging werd aangebracht.
kolom 3, boot – eigenaar – visserij:
Boot: hiervan zijn in volgorde vermeld het type, de afmetingen, het aantal bemanningsleden als dat anders is dan 2, het merk, het vermogen en het bouwjaar van de motor. Van de meeste boten was maar een deel van deze gegevens in het register opgenomen.
Afmetingen van de boot zijn weergegeven als lengte/breedte/holte, de inhoud is in kubieke meter (m3) of in bruto/netto register ton (rt). De notatie 63/27m3 4 betekent: inhoud bruto 63 en netto 27m3, met 4 bemanningsleden; een enkele keer is de inhoud (ook) aan gegeven in registerton (rt) die gelijk staat aan 2,83 m3. In veel gevallen waren deze gegevens niet of onvolledig op de registratiekaarten vermeld.
Eigenaar: het register noteerde in principe alleen de eigenaar(s) maar een enkele keer werden ook knechten vermeld. Als alleen de eigendom wijzigde zijn de bootgegevens niet herhaald en begint de omschrijving met (v.e.): verandering eigenaar.
Visserij: het soort visserij dat werd beoefend of de vissoorten waarop werd gevist.
Waarschuwing
De gegevens zijn overgeschreven van de registratiekaarten, die op microfiches staan in de bibliotheek van het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. De namen van de eigenaren zijn overgenomen zoals ze op de kaarten stonden, de ene keer alleen met voorletter, de andere keer met volle naam, patroniem en geboortedatum. Verschillend geschreven namen kunnen daarom toch dezelfde persoon betreffen, maar dat is met alleen de gegevens van dit kaartsysteem niet met zekerheid vast te stellen. Daarom is in de (afzonderlijke) alfabetische toegang elke enigszins afwijkend geschreven naam apart opgenomen. Niet altijd werden veranderingen tijdig door de vissers aan de gemeente opgegeven en sommige kortstondige wisselingen van eigenaar kunnen daardoor ontbreken of op een latere datum zijn gezet. Bij verandering van woonplaats werd de oude doorgestreept en vervangen door de nieuwe. Het vermoeden bestaat dat er voorgestempelde kaarten met ‘Tzummarum’ waren, die ook voor andere dorpen zijn gebruikt door die plaatsnaam op voorhand door te strepen. Dan heeft de betreffende visser dus nooit in Tzummarum gewoond. Vermeldingen met bijvoorbeeld ‘Tzummarum, later Oosterbierum’ kunnen dus juist of onjuist zijn. Wat juist is kan alleen worden nagegaan door te vergelijken met het Bevolkingsregister.
Achtergrond bij het botenregister Barradeel 1911 - 1971
Sinds overheden probeerden de visserij te reguleren overtraden vissers de wetten. Om overtreders te kunnen grijpen moest de overheid ze kunnen identificeren. De scheepsnaam was daarvoor onvoldoende. ‘Twee Gebroeders’, ‘Volharding’, ‘Nooitgedagt’ enzovoort kwamen te vaak voor om individuele schippers te kunnen traceren. De Staten van Holland en West-Friesland vaardigden in 1786 een Placaat uit, waarin ze vissers verplichtten in het zeil en aan het vaartuig de eerste twee letters van hun thuishaven te voeren. Dat hielp niet genoeg. Vissen met het kuilnet buiten de toegestane periode en het aanvoeren van ondermaatse vis kon zo onvoldoende worden bestreden.
De visserijbepalingen werden opnieuw vastgelegd in de visserijwet van 21 juni 1881 (Staatsblad no. 76). Om ze beter te kunnen handhaven werd daarin ook opgenomen dat eigenaren van ‘schepen, schuiten of boten, in Nederland te huis behorende en die tijdelijk of voortdurend de zeevisserij, van welken aard dan ook, hetzij buiten of in de zeegaten, hetzij in de Zuiderzee uitoefenen’ verplicht waren behalve het letterteken van hun gemeente ook hun registratienummer te voeren. De burgemeester was verantwoordelijk voor het aanleggen en bijhouden van het gemeentelijk register. De schippers moesten het kenteken aan weerszijden van de boeg en aan beide kanten van het grootste zeil duidelijk aanbrengen. Afmeting en kleur van de letters en cijfers werden door het College voor de Zeevisserijen vastgesteld. Wie de verplichting niet nakwam kon een boete van 75 gulden of zeven dagen gevangenisstraf krijgen. Was het schip eigendom van een rederij dan kreeg de boekhouder dezelfde straf als de schipper. Wie op zee de tekens afdekte om onherkenbaar te blijven was net zo goed strafbaar. In 1882 hadden de meeste gemeenten het register klaar. De eerste jaren daarna werd het actief bijgehouden, maar na een jaar of tien verslapte dat weer.
In Van Keulen’s almanak voor het jaar 1887 is de complete gemeentelijke registratie per eind 1886 opgenomen. Daarin komt Barradeel niet voor. Omdat er in deze gemeente toen uitsluitend met kleine boten zonder zeil dicht onder de wal werd gevist zal men gedacht hebben dat het voeren van een registratieteken niet zinvol was. In Het Bildt werd overigens op dezelfde manier gevist en daar werd wel vanaf 1882 een register aangelegd.
In 1908 kwam een nieuwe visserijwet tot stand, waarin de registratie verder werd aangescherpt. Deze wet werd pas 1 juli 1911 van kracht, kort nadat in een Koninklijk Besluit zeer gedetailleerd was voorgeschreven hoe het nieuwe register eruit moest zien en hoe het moest worden bijgehouden. Deze keer kon Barradeel er zich niet aan onttrekken.
Er zijn twee sets kaarten: de periode 1911 - 1947 en de zogenaamde nieuwe registratie van 1947 - 1971. In 1923 was het register al eens helemaal gecontroleerd en na de Tweede Wereldoorlog had de overheid verschillende redenen om de bootregistratie opnieuw op te zetten. Tijdens de bezetting was er zoveel gebeurd dat controle op juistheid en volledigheid van het register noodzakelijk was. Daarnaast wilde men meer gegevens van eigenaar en boot opnemen. Deze nieuwe registratie werd eind 1947 voltooid. Daarin kwamen geen boten meer voor die de haringvisserij in de Waddenzee als doel hadden.
Anders dan in alle andere gemeenten hebben de vissersboten in Barradeel naast het registratieteken geen naam gevoerd. Vanaf 1932 zijn er twee uitzonderingen: de BAR 70 met ‘Eke’ van Sjoerd Couzijn en de BAR 14 met ‘Liefke’ van Tjepke Ploegstra. Van oorsprong was de boot in Barradeel onderdeel van het ‘boatsriuw’, dus een stuk gereedschap (ark) zoals een ploeg onderdeel was van het boereriuw. Er was geen enkele reden om daaraan een naam te geven. Dat de haringboten in Het Bildt wel een naam kregen is te danken aan een misvatting van de gemeente. Omdat er een rubriek ‘naam’ op de registratiekaart stond meende men dat die verplicht was. De vissers moesten in 1882 ter plekke iets bedenken, waardoor ongebruikelijke en soms onbegrijpelijke namen als Rammekop, Haasje, Lijder en Kanever ontstonden.
Vanaf 1870 was het aantal boten in Barradeel gestegen van ongeveer 40 tot zo’n 60 omstreeks 1900. Oorzaak was de toegenomen hoeveelheid haring langs de Friese kust. Na de Eerste Wereldoorlog daalde het aantal boten geleidelijk tot bijna de helft om na het voltooien van de Afsluitdijk weer enorm te stijgen. De haring kon de Zuiderzee niet meer bereiken en zwom zo’n vijf jaar radeloos rond in de Waddenzee. Daarna verdween hij voorgoed. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef het aantal boten hoog. Niet alleen omdat de visprijzen vanwege schaarste sterk waren gestegen, maar ook omdat vissers vrijstelling konden krijgen van werken in Duitsland vanwege hun rol bij de voedselvoorziening. De scherpe daling van het aantal boten in 1947 zou zonder de oorlog al in 1939 hebben plaatsgevonden. Zo’n 20 boten bleven vissen op ansjovis, bot en tong. De ansjovis verdween rond 1958 en met alleen bot en tong was een belegde boterham niet te verdienen. Per 03.09.1971 werden als laatste boten uitgeschreven BAR 6 van Lammert Palma Mzn, BAR 51 van Lammert Palma Kzn en BAR 56 van Douwe en Jan Wietsma. Daarmee had de gemeente Barradeel geen vissersvloot meer.
Het digitale verleden van de oude gemeente Barradeel en omstreken